Fragment In licht bevroren
Ik viste een klosje zwart garen en een stevige naald uit de houten naaidoos van mijn moeder, die nog van haar moeder was geweest. Geen idee wanneer ik het kistje voor het laatst tevoorschijn had gehaald. Ik beet de draad door, stak het uiteinde tussen mijn lippen en vervolgens in één keer door het oog van de naald. Alsof ik dagelijks verstelwerk doe, grijnsde ik in mezelf. Voor me op tafel lagen de vier sterren van geel katoen, niet veel groter dan mijn handpalm. In het midden prijkte het woord ‘Jood’ in zwarte, zogenaamd Hebreeuwse letters. Dat ik er vier cent per stuk en een textielbon voor neer had moeten tellen was onverdraaglijk, net als de inspanningen van de Joodsche Raad om de sterren in drie dagen te verspreiden onder alle Joodse Nederlanders. Ze schenen dag en nacht te hebben doorgewerkt. Met welk doel? De Joden beschermen door ze op eigen kosten openlijk te stigmatiseren?
Ik griste een ster van de tafel, vouwde het zijrandje van een punt naar binnen tot aan de stippellijn en zette de naald erin die ik door de stof van mijn regenjas duwde. Toen ik de naald weer terug door de stugge stof stak, prikte die in mijn duim. Verdomme! Onding ook. Met mijn duim in mijn mond rommelde ik in de naaidoos, geen vingerhoed. Ook dat nog. Opnieuw stak ik de naald door de stof. Even ging het prima, toen stak ik weer in mijn duim. Godver! En dat voor die akelige rotsterren. Waarom mochten ze dan ook niet gewoon worden opgespeld? Woedend sprong ik op en beende met grote passen naar de badkamer. Uit het medicijnkastje plukte ik het doosje met pleisters en pakte mijn hele duim er dik mee in. Zo, mompelde ik, Heil Hitler prikt me geen derde keer.
Wat zou jij doen? Ik had het aan Lydia gevraagd, of zij de ster zou dragen als ze Joods was. Ik denk dat je weinig keus hebt, zei ze, de moffen hebben er een sport van gemaakt om persoonsbewijzen te controleren, en dan ben je er goed bij. Of je krijgt een boete van duizend gulden of je gaat voor maanden naar een Duits kamp, met grote kans om afgevoerd te worden naar een concentratiekamp. Daar moet je echt niet wezen, en al helemaal niet als Joodse.
Uit protest en solidariteit met mij wilde ze zelf ook een Jodenster op haar jas naaien, dat hadden meer niet-Joden gedaan, maar ik verbood het haar. Net als Cas. Je verandert er helemaal niets mee, zei hij, en je riskeert ook nog eens een boete, of meer. Er waren er trouwens ook die een lichte buiging maakten als ze iemand met een ster voorbij zagen lopen. Dat vond ik pas echt pathetisch, Joden op een voetstuk plaatsen terwijl die zich het liefst onzichtbaar wilden maken. Bovendien werd de kloof er alleen maar groter door.
Ik gooide de jas over de stoelleuning, de zespunt prijkte keurig op de voorgeschreven locatie: aan de linkerzijde op borsthoogte, dan kon niemand er omheen. Zuchtend zette ik mijn tanden in een nieuw stuk draad voor de volgende ster.